Table Of ContentGedragsproblemen bij ouderen
Gedragsproblemen bij ouderen
Werkmodel voor verzorgenden en helpenden
Theo Hazelhof
Tejo Verdonschot
Bohn Stafleu van Loghum
Eerste druk, Reed Business, Amsterdam 2011
Tweede, ongewijzigde druk, Bohn Stafleu van Loghum, Houten 2017
ISBN 978-90-368-1864-3 ISBN 978-90-368-1865-0 (eBook)
© 2017 Bohn Stafleu van Loghum, onderdeel van Springer Media
Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een
geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij
elektronisch, mechanisch, door fotokopieën of opnamen, hetzij op enige andere manier, zonder
voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.
Voor zover het maken van kopieën uit deze uitgave is toegestaan op grond van artikel 16b
Auteurswet j° het Besluit van 20 juni 1974, Stb. 351, zoals gewijzigd bij het Besluit van 23
augustus 1985, Stb. 471 en artikel 17 Auteurswet, dient men de daarvoor wettelijk verschuldigde
vergoedingen te voldoen aan de Stichting Reprorecht (Postbus 3060, 2130 KB Hoofddorp). Voor
het overnemen van (een) gedeelte(n) uit deze uitgave in bloemlezingen, readers en andere
compilatiewerken (artikel 16 Auteurswet) dient men zich tot de uitgever te wenden.
Samensteller(s) en uitgever zijn zich volledig bewust van hun taak een betrouwbare uitgave te
verzorgen. Niettemin kunnen zij geen aansprakelijkheid aanvaarden voor drukfouten en andere
onjuistheden die eventueel in deze uitgave voorkomen.
NUR 897
Typografie en infographics: Mariël Lam bno, ’s-Hertogenbosch
Foto’s infographics: hoofdstuk1, 2, 4, 6, 7, 9, 13 en 14, www.shutterstock.com; hoofdstuk 3,
www.psychiatrie-Nederland.nl; hoofdstuk 5, www.123rf.com; fotograaf nobeastsofierce;
hoofdstuk 8 en 12, Zorginbeeld/Frank Muller; hoofdstuk 10, Marcel Grotens; hoofdstuk 11,
www.photobucket.com by zzziggyman; hoofdstuk 15,
www.weet.wikidot.com/narcistischepersoonlijkheidsstoornis-
herkennen.
Bohn Stafleu van Loghum
Het Spoor 2
Postbus 246
3990 GA Houten
www.bsl.nl
Voorwoord
Dit boek is bedoeld voor verzorgenden en helpenden in de ouderenzorg; zij die recht-
streeks met (dementerende) ouderen omgaan. We hebben dit boek zo eenvoudig mo-
gelijk geschreven om iedereen kans te geven ermee te werken. Met ‘werken’ bedoelen
we ook systematisch kunnen omgaan met probleemgedrag en je wensen ten aanzien
van het gedrag van de cliënten kunnen formuleren, zodat die in een zorgoverleg be-
sproken kunnen worden. Er wordt veel over methodisch werken gesproken, maar er
moet ook een manier zijn waarop helpenden die niet zijn opgeleid in methodisch
werken, kunnen bijdragen aan het omgaan met problematisch gedrag. Naast helpen-
den in de zorg zouden ook mantelzorgers van deze methode gebruik moeten kunnen
maken. Wij hopen met dit boek hiertoe een aanzet gegeven te hebben. Ook willen we
hier onze eega’s Trudy en Lidwien weer bedanken voor de tijd dat ze ons moesten mis-
sen tijdens het schrijven van dit boek.
Theo Hazelhof
Tejo Verdonschot
Inhoud
1 Depressie 11
2 Depressie en depressieve gevoelens in het
verpleeg- of verzorgingshuis 17
3 Psychose 23
4 Psychose bij dementie 29
5 Delier 35
6 Delier bij dementie 41
7 Woede en agressie 45
8 Apathie 53
9 Agitatie 61
10 Dwalen en dolen 67
11 Verzamelen 73
12 Splitten 79
13 Persoonlijkheidsstoornissen 85
14 De angstige en/of vermijdende persoonlijkheidsstoornissen 91
15 Persoonlijkheidsstoornissen met theatraal, emotioneel
grillig gedrag 97
Inleiding
Dit boek gaat over het omgaan met gedragsproblemen bij ouderen. We willen een
methode neerleggen waarmee mensen met weinig of geen opleiding in de gezond-
heidszorg iets kunnen bijdragen aan het omgaan met gedragsproblemen. Hierbij is
het ook van belang wat je zelf wilt bereiken als je in aanraking komt met gedragspro-
blemen, zodat je iets kunt doen aan de dingen die je frustreren. We beschrijven in dit
boekje een mix van ziektebeelden, probleemgedrag en persoonlijkheidsstoornissen.
Bij een aantal ziektebeelden (depressie, psychose en delier, hoofdstuk 1 tot en met 6)
doet zich immers vaak hetzelfde probleemgedrag voor. Vervolgens bespreken we som-
mige probleemgedragingen die vaak voorkomen maar waarvan de oorzaak niet zo
snel duidelijk is (agressie, apathie, agitatie, dwalen en dolen, verzamelen en splitten
(hoofdstuk 7 tot en met 12). Hier heb je veel voordeel van de vragen over vroegere ge-
d ragingen. Daarna bespreken we de persoonlijkheidsstoornissen: de vreemde, de ang-
stige en de theatrale en grillige persoonlijkheidsstoornissen (hoofdstuk 13, 14 en 15).
In de hoofdstukken is steeds dezelfde structuur neergelegd: we beginnen met een
voorbeeld, waarna het ziektebeeld en/of het probleemgedrag wordt uitgelegd. Hierna
worden de oorzaken van het ziektebeeld en/of het probleemgedrag uiteengezet. Hoe
de diagnose gesteld wordt, komt hierna aan bod. En we kijken naar therapie: wat
kunnen we voor de cliënt doen om de ziekte of het probleemgedrag te verminderen?
Hierna hebben we het over beschreven probleemgedrag en het probleemgedrag dat
kan voorkomen uit de beschreven ziektes. Daarna kijken we naar systematisch wer-
ken, eerst naar het verzamelen van gegevens over vroeger; is er eerder sprake geweest
van dit probleemgedrag/deze ziekte en hoe ging men er toen mee om? Dit wordt
gevolgd door algemene aanwijzingen in tien regels, zodat je vlug duidelijkheid krijgt
over de algemene omgangsregels bij dit probleemgedrag/deze ziekte. Bij het inven-
tariseren van het probleemgedrag hebben we ons laten leiden door het systematisch
werken: op een gestructureerde wijze gegevens verzamelen over het gedrag van de
cliënt en van het team. Tot slot stellen we vragen over het doel van de cliënt; dit helpt
om je in te leven in de cliënt. Het allerlaatste onderdeel wordt gevormd door vragen
over wat je zou willen bereiken. Als je deze vragen beantwoordt voor het zorgover-
leg, bereik je een beter resultaat van het overleg en dat maakt het werken een stuk
plezieriger.
1 Depressie
bevolking 65+ bevolking
mensen met depressie
Vaak hoor je dat mensen ‘een dip hebben’ of het niet meer zien zitten. Als hier
nog andere symptomen bijkomen, spreken we in vaktaal van een depressie. De
ziekte depressie kan soms levensbedreigend zijn.
Voorbeeld
Mevrouw Smeets komt uit een familie waarin meer mensen met een depressie te
kampen hebben gehad. Als haar laatste kind het huis uit is, overlijdt haar vader.
Haar man komt kort daarna thuis te zitten vanwege inkrimping op zijn werk.
Mevrouw wordt geplaagd door reuma, die haar bewegingsvrijheid ernstig beperkt.
Langzamerhand wordt mevrouw depressief; ze komt haar bed niet meer uit en
ziet alles somber in. Het eten smaakt haar niet en ze wil het liefst dood.
1.1 Wat is een depressie?
Depressie komt vaak voor; ongeveer 4% van de bevolking is depressief. Bij ouderen
boven de 65 jaar is dat zelfs 15%.
Over depressie wordt in de volksmond heel licht gedacht. Vaak denkt men al dat
mensen een depressie hebben als ze in de put zitten na een verlies. Bijvoorbeeld als
mensen hun partner verliezen, in rouw zijn en veel huilen, wordt al gedacht dat ze
12 Gedragsproblemen bij ouderen
depressief zijn. Als iemand een maand een slecht humeur heeft vanwege problemen
op het werk en in zijn relatie, wordt er ook al snel gedacht aan een depressie. Niets is
echter minder waar; depressie is een ziekte. Voor een echte depressie moet er een
aantal symptomen aanwezig zijn. Deze zijn te verdelen in drie groepen.
1 Psychische symptomen:
– sombere stemming;
– nergens meer van kunnen genieten;
– denken dat je dood beter af bent;
– gedachten die in een cirkeltje gaan;
– geen energie meer hebben.
2 Lichamelijke symptomen:
– stijf worden;
– er dof uit gaan zien doordat je minder zweet;
– moeite krijgen met poepen omdat je darmen langzamer gaan werken;
– erectieproblemen, geen zin meer in seks;
– s laapstoornissen: depressieve mensen slapen vaak goed in maar zijn vroeg weer
wakker;
– en liggen dan de halve nacht wakker; soms slapen mensen ook erg veel;
– d agschommeling: ’s ochtends is de depressieve mens slechter gestemd dan
’s avonds.
3 Stoornissen in het denken:
– moeite met concentreren;
– z wart - wit denken: iets is ofwel fantastisch ofwel verschrikkelijk, er is niets tus-
senin;
– p erfectionisme: bij de kleinste afwijking voelt iemand met een depressie zich al
mislukt;
– b eren op de weg zien: bij alles wat er gaat gebeuren, bedenkt iemand met een
depressie wat er fout kan gaan en durft dan niets te ondernemen.
Als vijf of meer van deze symptomen langer dan twee weken bestaan, spreken we van
een ernstige depressie.
Bij een depressie dient eerst gekeken te worden of de sombere stemming niet veroor-
zaakt wordt door andere (lichamelijke) oorzaken. Zo kan een verminderde schildklier-
werking of een verminderde werking van de bijnieren ook tot depressie leiden. Ook
eenzaamheid of een tekort aan leuke dingen kan aanleiding geven tot een depressie.
Vervolg voorbeeld
De huisarts stuurt mevrouw in eerste instantie naar een psycholoog; daar krijgt
ze gesprekken. Tijdens deze gesprekken leeft mevrouw wel wat op maar thuis-
gekomen kruipt ze weer in bed. Ook begint ze nu minder te eten.
Depressie 13
1.2 Oorzaken
Voor depressie zijn twee oorzaken aan te geven: stress en aangeboren gevoeligheid.
Iemand die een verhoogde gevoeligheid voor depressie heeft, kan bij te veel stress in
een depressie raken. De kans op het krijgen van een depressie stijgt met de leeftijd;
ouderen zijn vaker depressief dan jongeren (ouderen hebben gemiddeld meer verlies-
ervaringen gehad dan jongeren).
1.3 Diagnose
De diagnose depressie wordt vaak gesteld door een psycholoog of een psychiater. Zij
doen dit met behulp van een standaardvragenlijst die ze afnemen bij de cliënt. Ook
zijn er vragenlijsten die de cliënt zelf kan invullen. Belangrijke aanwijzingen hierbij
zijn: een slecht humeur, geen toekomst meer zien, slecht over zichzelf denken, slecht
eten en slecht slapen.
De diagnose moet echter niet te gemakkelijk worden gesteld; zoals gezegd kunnen
verschillende lichamelijke ziekten een op een depressie lijkend beeld veroorzaken,
zoals een te langzaam werkende schildklier of een te lage bloeddruk.
Vervolg voorbeeld
Omdat mevrouw snel achteruitgaat (ze laat zich ook niet meer verzorgen),
wordt ze opgenomen op de Psychiatrische Afdeling van een Algemeen
Ziekenhuis (PAAZ). Hier schrijft de psychiater haar medicijnen tegen de depres-
sie (antidepressiva) voor. Mevrouw wordt langzaam gestimuleerd om weer wat
te ondernemen.
1.4 Therapie
Bij depressie zijn verschillende therapieën mogelijk:
• Medicijnen: deze werken na ongeveer vier tot zes weken en verbeteren eerst de
lichamelijke symptomen (eten, slapen, stoelgang), daarna wordt de stemming pas
beter. Je hoort depressieve mensen die medicijnen slikken, in het begin vaak zeg-
gen: ‘Ik kan weer van alles doen want ik ben niet meer zo stijf als vroeger, maar
ik geniet er niet van.’ Na enkele weken gaat men pas weer genieten van leuke
dingen.
• Psychotherapie (praten met een psycholoog of psychiater).
• Verwentherapie: door ze extra te verwennen knappen depressieve mensen
vaak op.
• Elektroshock: dit werkt vaak bij mensen die geen baat hebben bij medicijnen.
• Slaapdeprivatie: hierbij blijft men enkele nachten per week wakker; het humeur kan
hier flink van opknappen (dit mag alleen onder medische begeleiding gebeuren).