Table Of ContentJ.E. VAN DEN BRINK
DE BRIEVEN
AAN
TIMOTHEÜS
WWW.RHEMAPRINT.NL
ISBN 90 6261 511 2
WOORD VOORAF
Wanneer de apostel Paulus een oud man geworden is en
hij bovendien in de gevangenis vertoeft, heeft hij de zorg
voor de gemeente in Eféze toevertrouwd aan zijn jonge
medewerker Timotheüs. Het was voor hem niet meer
mogelijk deze geestelijke zoon zelf te begeleiden, maar
toch wil de apostel hem nog enige richtlijnen geven hoe
men zich in het huisgezin Gods moet gedragen en als
voorgaande broeder moet handelen. Paulus ontleent deze
aanwijzingen aan de leidingvan de Heilige Geest, die hij
zo duidelijk ervaren had tijdens de jaren van het stichten,
funderen en pastoraal verzorgen van talrijke gemeenten.
Het is wel merkwaardig dat mijn kanttekeningen bij deze
brieven in een tijd verschijnen, dat de pioniers van het
volle evangelie in ons land ook op een leeftijd zijn
gekomen, dat zij hun arbeid in de gemeenten moeten
overdragen aan een jongere generatie. Zij verlangen
hierbij intens dat hun levenswerk geestelijk en ook
praktisch in het juiste spoor zal worden voortgezet. De
apostolische voorschriften die Paulus aan zijn opvolger
gaf, waren ook voor hen van groot belang en tot voorbeeld
bij het vormenvan de gemeenten. Ze blijven ook van
kracht voor een geslacht dat in andere
tijdsomstandigheden leiding moet geven.
Zelf heb ik vijf en twintig jaren in zo'n nieuw gevormde
gemeente gearbeid en in verschillende situaties de
richtlijnen van de apostel geraadpleegd. Ze waren voor mij
als het ware tot een grondwet geworden. Tijdens de laatste
jaren van mijn voorgangersschap heb ik de brieven aan
Timotheüs op de bijbelstudie van onze gemeente
behandeld en toen in de praktijk ervaren, dat de toestanden
en problemen die Paulus erin beschrijft, ook nu nog
voorkomen. Ik hoop dat de regels die de apostel in deze
brieven geeft, maar ook mijn kanttekeningen die op de
huidige praktijk van het gemeenteleven zijn gebaseerd,
voor de voorgangers en leden van groot belang zullen zijn.
Tenslotte dank ik de Here voor de toegewijde
medewerkers, die de verzorging van deze uitgave mogelijk
maakten. Ook ben ik de lezers van 'Kracht van Omhoog'
erkentelijk dat door hun financiële steun deze tekst-aan-
tekstverklaring weer mogelijk was.
Gorinchem, september 1985
J.E. van den Brink
INLEIDING BIJ DE EERSTE TIMOTHEÜS-BRIEF
Na de brieven van Paulus die aan de gemeenten gericht
zijn, volgen nog vier epistels aan particuliere personen,
namelijk 1 en 2 Timotheüs, Titus en Filémon, de
zogenaamde pastorale brieven. Timotheüs en Titus waren
jong en bekeerlingen van de apostel (1:2 en Titus 1:3) en
ze hadden hem op zijn vele zendingsreizen vergezeld. Zij
waren aangesteld als voorgangers van gemeenten en deze
brieven waren aan hen gericht om hun instructies te geven
in zake de leiding der georganiseerde lokale gemeenten.
De brieven bevatten wel een speciale boodschap voor
jonge voorgangers, maar zijn toch ook van belang voor de
gemeenteleden van toen en nu.
De brieven hebben vrijwel dezelfde vorm, slaan op
dezelfde historische toestanden en wel voornamelijk op
die in Eféze en op Kreta. Ze dragen een zeer vertrouwelijk
karakter en hoewel het dogmatische niet ontbreekt, hebben
zij toch een meer persoonlijke inslag.
In de eerste brief aan Timotheüs wordt veel aandacht
geschonken aan het leven van opzieners, diakenen en
oudsten. Dezen moeten onberispelijk zijn en evenals
Timotheüs zelf, doorkneed zijn in de christelijke leer,
zodat ze de dwaalleraars kunnen weerleggen en
ontmaskeren. Zij moeten in alle situaties tot voorbeelden
zijn, vooral in zelfbeheersing, en door hun wandel een
sieraad zijn voor het volle evangelie dat Paulus predikte.
Uit deze brief kunnen we opmaken dat er in Eféze een
gevestigde gemeente was. Deze had zeer hoog gestaan,
maar uit de opdracht die Paulus hier aan Timotheüs geeft,
merken we op dat de dwalingen al op verschillende wijzen
waren binnengeslopen (1:20). Deze gemeente was bezig
uit de hemelse gewesten op aarde te vallen (Openb. 2:5).
Timotheüs, die zeer goed op de hoogte was van het
evangelie dat Paulus predikte, moest in Eféze blijven om
het geestelijke onkruid te wieden.
De opvallende tekst die het thema van deze brief
weergeeft, is die in hoofdstuk 3:15, waar opgemerkt
wordt: 'Dan weet gij, hoe men zich behoort te gedragen in
het huis Gods, dat is de gemeente van de levende God, een
pijIer en fundament der waarheid'. Het naderende einde
van de apostolische periode en de toename van nieuwe
gemeenten vereisten een duidelijke uiteenzetting
aangaande 'de gezonde leer', het geloof en de tucht. Eerst
werd alles vanzelfsprekend door de apostelen geregeld,
maar nu waren al duidelijke en algemene instructies nodig,
die aan de kerk van alle eeuwen in alle mogelijke situaties
leiding zouden geven.
De bedoeling van de brief aan Timotheüs was om hem te
bemoedigen in zijn strijd tegen de dwalingen (1:3-7, 18-
20; 6:3-5, 20,21). Verder ondersteunt de apostel in deze
brief het gezag van de jonge evangelist-voorganger
(1:3,4). Hij instrueert hem in zake de leiding in de
gemeente (3:14, 15). Hij vermaant hem in zijn pastorale
bezigheden ijverig en trouw te blijven (4:6; 6:3).
Het is merkwaardig dat in de latere brieven van Paulus een
duidelijke kentering aanwijsbaar is als gevolg van een
ontwikkelingsproces. De gebeurtenissen die zich bij zijn
laatste bezoek aan Jeruzalem afspeelden, gaven daartoe
wel de doorslag. Hij was immers op aandrang van de
wetsgetrouwe christen-Joden naar de tempel gegaan om
daar deel te nemen aan de offeranden van vier mannen, die
een gelofte op zich hadden genomen (Hand. 21:23-26).
De Joden uit Asia, dus ook uit Eféze, die hem zo
menigmaal hadden, beluisterd, kwam deze houding als
dubbelzinnig en huichelachtig voor. Zij brachten de
volksmassa in beweging en dit had tot gevolg dat Paulus
in de gevangenis te Caesaréa en te Rome kwam, waar hij
meer dan vier jaren van zijn vrijheid werd beroofd. Zijn
brieven vanuit de gevangenis en ook daarna getuigen
ervan, dat hij met deze tweeslachtige houding had
gebroken. Wij denken hierbij aan een typerende uitspraak
in 1 Corinthiërs 9:20: 'Ik ben de Joden geworden als een
Jood, om Joden te winnen; hun, die onder de wet staan, als
onderde wet - hoewel persoonlijk niet onder de wet - om
hen, die onder de wet staan, te winnen'.
Vanuit de gevangenis schreef hij evenwel aan de Eféziërs:
'Want Hij is onze vrede, die de twee één heeft gemaakt en
de tussenmuur, die scheiding maakte, de vijandschap,
weggebroken heeft, doordat Hij in zijn vlees de wet der
geboden, in inzettingen bestaande, buiten werking gesteld
heeft' (Efz. 2:14,15). Vanuit de gevangenis schreef hij
ook: 'Daar gij de oude mens met zijn praktijken afgelegd,
en de nieuwe mens aangedaan hebt, die vernieuwd wordt
tot volle kennis naar het beeld van zijn Schepper, waarbij
geen onderscheid is tussen Griek en Jood, besneden of
onbesneden'(Col. 3:9-11).
In deze eerste brief aan Timotheüs schuift hij alle
spijswetten aan de kant, want over hen die afvallen van het
geloof in 'zijn evangelie' zegt hij: 'Het genot van spijzen
verbiedende, welke God toch geschapen heeft om met
dankzegging te worden gebruikt door de gelovigen, die tot
erkentenis der waarheid (zoals Paulus die predikte)
gekomen zijn. Want alles wat God geschapen heeft, is
goed en niets daarvan is verwerpelijk' (4:1-4). Hij schrijft
over de Judaïsten die leraars der wet willen zijn, zonder
dat zij beseffen, waarover zij zo stellig spreken (1:7).
Ook valt het op dat in deze brief duidelijk geleerd wordt,
dat God goed is. Alleen déze leer is 'betrouwbaar' en
'gezond'. Door zijn spontane liefde wil God, onze Heiland,
alle mensen redden. Men moet ook voorbede doen voor
alle mensen. De mens Jezus Christus heeft Zich gegeven
tot een losprijs voor allen. God is een Heiland voor alle
mensen (1:10, 11; 2:1,3,4; 4:10). De taakvan de
ambtsdragers is dat zij meewerken aan de verwezenlijking
van deze gedachten Gods en het voorgestelde heil door
zelf een nauwgezet leven te leiden, want leer en leven
gaan samen.
Wanneer deze eerste brief aan Timotheüs geschreven
werd, is onbekend, en men kan er alleen naar gissen,
hoewel zij wel na Paulus' laatste verblijf in Jeruzalem valt.
Men veronderstelt dat Paulus en Timotheüs samen niet
lang voor het schrijven van deze brief te Eféze werkzaam
waren geweest. De apostel liet zijn metgezel daar achter
om zelf naar Macedonië te reizen (1:3; 3:14 en 4:13). Dit
moet dan wel een heel andere reis zijn geweest dan in
Handelingen 19:21,22 wordt vermeld. Daar bleef immers
de apostel zelf in Asia achter, terwijl Timotheüs juist naar
Macedonië in Griekenland ging. In Handelingen 20:3,4
verlaat de apostel wel Asia, maar neemt hij Timotheüs
mee, wat ook niet met onze brief overeenstemt. In
hoofdstuk 21 wordt genoemd verblijf in Jeruzalem reeds
vermeld, zodat de brief na zijn gevangenneming moet zijn
geschreven.
Wat de levensloop van Timotheüs betreft, valt het
volgende in het kort mee te delen:
Timotheüs was een half Jood afkomstig uit Lystra in
Lycaonië. Zijn naam betekent: God erend, een algemeen
voorkomende, heidense naam. Zijn vader was een Griek,
wiens naam niet wordt vermeld. Zijn moeder was 'een
gelovige Joodse vrouw' (Hand. 16:1), die echter zoals
zovele Joden, een Griekse naam had: Eunice, wat
betekent: die een goede overwinning behaalt. De gelovige
grootmoeder heette Loïs, de betere. Eunice en Loïs hadden
Timotheüs in de schriften onderwezen, waardoor hij ook
een Messiasverwachting koesterde.
Ofschoon hij ver van Jeruzalem woonde, was hij
opgevoed in een Joodse atmosfeer. Zijn vader zal wel de
oorzaak zijn geweest, dat hij niet besneden was en dus niet
in het oude verbond was opgenomen. Op de eerste
zendingsreis van Paulus was Timotheüs tot bekering
gekomen, en op de tweede zendingsreis wordt hij al een
discipel genoemd (Hand. 16:1).
Waarschijnlijk was hij in het evangelie onderwezen door
de oudsten der gemeente, die ook te Lystra waren
aangesteld (Hand. 14:23). Dezen waren het wellicht die
over de jongeman hadden geprofeteerd en hem als
evangelist hadden aangewezen (1Tim.1:18,4:14).
Paulus besneed hem waarschijnlijk met de bijbedoeling,
dat Timotheüs bij zijn prediking ook door de Joden zou
worden geaccepteerd. Onder oplegging van handen werd
hij geroepen als evangelist. Timotheüs vergezelde de
apostel op diens tweede zendingsreis. Hij behoorde
daarmee tot de eerste broeders die in Europa het evangelie
verkondigden. In Filippenzen 2:22 roemt de apostel
Timotheüs: 'Zijn beproefde trouw kent gij echter, dat hij,
gelijk een kind zijn vader, mij in de dienst van het
evangelie heeft geholpen'.
Paulus liet de jonge evangelist ook telkens in de nieuwe
gemeenten, die hij had gesticht, achter, om de leden der
gemeenten verder te onderwijzen en hun geloof op te
bouwen. Het vertrouwen van de apostel in hem was zo
groot, dat hij hem zelfstandige opdrachten liet uitvoeren.
Niet alleen in de stichting van de gemeente te Filippi had
hij een groot aandeel, maar ook in die van Beréa en in
Thessalonica (Hand. 17:14,15 en 1 Thess. 3:2). Ook in
Corinthe predikte hij menigmaal op verzoek van de
apostel (1 Cor. 4:17; 16:10 en 2 Cor. 1:19). Hij verving
Paulus dikwijls, toen deze gevangen zat (Filip. 2:19). Zelf
raakte hij volgens Hebreeën 13:23 ook tijdelijk in
gevangenschap.
De jonge, onbaatzuchtige evangelist had zich geheel aan
het grootse werk van Paulus gewijd. Hij had diens
denkwijze volledig overgenomen (1 Cor. 4:17 en 2Tim.
3:10). Moge hij misschien zwak van gezondheid zijn
geweest, dit heeft hem niet belet veel te reizen en een
ingespannen leven te leiden. Toch had hij moeite om
strijdbaar te zijn en fel door te zetten. Vandaar de
herinnering van de apostel aan de Geest van kracht die hij
had ontvangen en aan de opwekking zijn vreesachtigheid
te overwinnen (2 Tim. 1:6,7). Verder lezen we in de
kerkelijke geschiedenis van Eusebius nog: 'Van Timotheüs
wordt verhaald, dat hij eerst het bisschopsambt ontving
voor de kerk van Eféze, evenals Titus die van Kreta'.
Volgens een oude overlevering stierf Timotheüs de
marteldood onder keizer Nerva.
Description:het huis Gods, dat is de gemeente van de levende God, een. pijIer en fundament Wie zijn de uitblinkers die dubbele eer toekomt? Hoofdstuk 1:4.